Spring naar de content

Arts-microbioloog Peter Schneeberger: ‘Wij moeten goed nadenken over ons eigen handelen’

Geplaatst: vrijdag 24 april 2020

De uitbraak van het coronavirus is niet de eerste epidemie die arts-microbioloog Peter Schneeberger meemaakt. Het betreft wel een heel explosieve uitbraak. Toch maakt hij zich uiteindelijk meer zorgen om de uitbuiting van moeder Aarde dan om virussen.

Filosoof en arts Albert Schweitzer én Peters schoonvader inspireerden Peter Schneeberger na zijn afstuderen in 1982 eerst als tropenarts te gaan werken en om zich daarna te specialiseren als arts-microbioloog. “Als arts-microbioloog kun je voor een hele grote groep mensen iets betekenen. Dat gaf voor mij de doorslag om voor deze specialisatie te kiezen.”

Mazelen en Aids in de tropen

In 1985 ging Peter werken in Keniaans missieziekenhuis waar hij naast malaria te maken kreeg met mazelen bij kinderen. “Mazelenvirus is een zeer besmettelijk virus dat in de westerse wereld dankzij vaccinatie zo goed als uitgeroeid is. In Afrika raakten nog heel veel kinderen besmet met dit virus, met 10-15% sterfte bij de in het ziekenhuis opgenomen kinderen. Wat ons toen echter ook opviel was de hoge kindersterfte binnen het eerste levensjaar, aan een toen nog voor ons nog onbekend ziektebeeld. Dat beeld leek op tuberculose, maar het bleek later te gaan om Aids dat zich bij het kind eerder manifesteerde dan bij de moeder. Aids was de eerste pandemie waar ik in mijn loopbaan mee geconfronteerd werd. Deze kinderen bleken tijdens de zwangerschap besmet te zijn geraakt. Al de verschillende manifestaties van deze toen nog nieuwe ziekte waren uiteraard nog niet bekend. We zagen bij de patiënten enorm gewichtsverlies en een vorm van huidkanker (Kaposisarcoom). Wel was toen al bekend dat mannen met homoseksuele contacten Aids konden krijgen. Later bleek dat ook promiscue heteroseksuele contacten, die in Afrika veel voorkwamen, een explosieve verspreiding van deze ziekte konden veroorzaken. De eerste jaren waren de patiënten ten dode opgeschreven omdat er nog geen medicijnen tegen AIDS waren. Zoals bij praktisch alle virussen bleek dat het Aids virus ooit vanuit een dier, in dit geval van de aap, is overgesprongen op mens” Overdracht van dier op mens heet zoönose.

Evolutie

Virussen en evolutie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden legt Peter uit. “Toen het eerste leven uit de oersoep ontstond begon dat met bacteriën én virussen. Deze micro-organismen zorgden ervoor dat nieuw leven kon ontstaan, evolutie dus. Kort gezegd kun je stellen dat de mensheid zich ooit uit het niets heeft ontwikkeld en uiteindelijk ook weer terug zal gaan gaan naar het niets.”

“Virussen zullen ons altijd blijven begeleiden,” stelt Peter. “Dankzij onderzoek en toenemende kennis lukt het ons vaak om virussen te bestrijden. Dat lukte met de mazelen, dat lukte met polio en met vele andere virussen, maar lukt lang niet altijd. In 1993 brak in de zogenoemde ‘bijbelregio’ in ons land toch een polio-epidemie uit. Met name onder jongeren. Dat gebeurde omdat de ouders uit religieuze overtuiging ervoor kozen zichzelf en hun kinderen niet te vaccineren. Wat ik lastig vindt is dat die keuze ook voor kinderen wordt gemaakt, die daar dan slachtoffer van kunnen worden.” Na de polio-uitbraak volgden onder meer nog: Sars, Mers-covid (via dromedarissen), Q-koorts (geiten) en de vogelgriep (pluimvee).

Milieu en moeder Aarde

“Wat goed is om te beseffen is dat de meeste mensen niet ziek worden of maar heel weinig. Heel vaak vinden we een remedie in de vorm van een vaccin, maar niet altijd. Bovendien bouwt de mens al dan niet met hulp van vaccinaties zelf afweer op. De HIV infectie die Aids veroorzaakt kan wel worden geremd dankzij medicijnen maar (nog) niet worden genezen. We vinden dus niet altijd een vaccin dat geneest. Daarbij komt nog, dat micro-organismen kunnen muteren. Zo hebben we ieder jaar met een nieuwe variant van het influenzavirus ofwel ‘de griep’ te maken’”

Wat maakt COVID-19 nou zo bijzonder? “In ieder geval de explosieve wereldwijde uitbraak”, aldus Peter. “Veel andere virussen bleven vaak tot een bepaald gebied beperkt, zoals dit bijvoorbeeld bij de Zikavirus uitbraak het geval was. De beperkende factor daarbij was de aanwezigheid van een bepaalde mug. Als je de corona-uitbraak klinisch bekijkt verloopt deze feitelijk niet anders dan andere grote epidemieën. Wat het zo ontzettend tragisch maakt is het grillige verloop, het niet honderd procent kunnen vertrouwen op de klinische blik en de eenzame strijd die getroffenen moeten voeren. Dat maakt het allemaal zo erg. Toch maak ik mij meer zorgen om het milieu en de uitbuiting van onze aarde door de mensen. Infecties zelf zullen niet zo snel een einde aan de mensheid maken. Wel moeten we goed blijven nadenken over ons eigen handelen.”