Spring naar de content

Kinderen met minder of geen dieptezicht

Folder voor ouders met kinderen met een lui oog, scheelzien of een minder/nietwerkend oog.

Als mens hebben we twee ogen nodig die goed samenwerken voor écht dieptezicht, ook wel binoculair dieptezicht genoemd. Binoculair dieptezicht wordt ontwikkeld in de eerste 2 levensjaren. Belangrijk bij het zien van diepte is een rechte oogstand, zodat de ogen goed kunnen samenwerken. Iemand die scheel kijkt kan dan ook geen optimaal dieptezicht ontwikkelen. We kunnen echter de wereld om ons heen ook met één oog waarnemen. Dit kan doordat de hersenen door ervaring afstanden kunnen interpreteren (dit heet ook wel monoculair dieptezicht).

Binoculair dieptezicht Door met twee ogen te kijken is je gezichtsveld groter dan met één oog. Het beeld wat het rechteroog aan je hersenen doorgeeft is een fractie anders dan het beeld van je linkeroog. Dit komt doordat de ogen ongeveer 6.5 centimeter uit elkaar staan en doordat elk oog het beeld op een net iets andere plaats ziet. Hierdoor is men in staat tegelijkertijd twee iets verschoven beelden waar te nemen. De hersenen vergelijken de twee beelden van de ogen en voegen deze samen tot één beeld. Zo kunnen we de afstand tot datgene wat we zien inschatten. Deze manier van dieptezien wordt ‘driedimensionaal dieptezien’ of ‘stereoscopisch zien’ genoemd.

Monoculair dieptezicht Ook met slechts één oog is het mogelijk diepte te zien. Dit komt doordat de hersenen ook leren afstanden in te schatten. Wanneer dingen zich verder weg bevinden zijn ze vaak kleiner, waziger en minder zichtbaar. Onze hersenen kunnen dit herkennen als ‘ver weg’. Als dingen groter, helder en beter zichtbaar zijn herkennen onze hersenen dit als ‘dichtbij’. Scheelzien & (diep) lui oog Het is voor mensen die maar één goed oog hebben of scheel kijken lastiger om de diepte in te schatten, zij hebben dan ook alleen het monoculair dieptezicht. In dagelijkse bezigheden zal iemand die maar met één oog kijkt er in de meeste gevallen geen last van hebben. Omdat het meestal kinderen zijn, weten zij niet beter en zullen zij leren omgaan met hun gemis aan binoculair dieptezicht. Toch kan dit in de vroege ontwikkelingsjaren wel enkele problemen opleveren:

- Vaker stoten / vallen - Angstig voor hoogtes - Roekeloos gedrag (zien het gevaar niet) - Moeite met fietsen zonder zijwieltjes - Moeite met traplopen - Fijne motoriek kan wat achterlopen - Inschenken van drinken is lastig - (Bal-)sporten In principe leert een kind met deze zaken omgaan door ervaring. Ondersteuning en hulp kan een kind motiveren om de wat lastigere taken en bezigheden te blijven proberen. Rond het 8ste levensjaar hebben kinderen al veel ervaring en zijn ze meestal aan de situatie gewend, waardoor het gemis aan binoculair dieptezicht nauwelijks meer merkbaar is. Deze kinderen hebben het daardoor ook niet moeilijker op school met lezen en schrijven dan andere kinderen. In de toekomst kunnen kinderen gewoon de dingen doen zoals ieder ander, bijvoorbeeld leren autorijden. Alleen zijn niet alle beroepen voor hen weggelegd, zoals chirurg of piloot. Gelukkig zijn er nog veel andere mogelijkheden!

Tot slot Wilt u ervaren wat uw kind mist? Probeer dan eens een taak te doen met 1 oog dicht. U zult merken dat het inschenken van drinken dan veel moeilijker is.