Skip to Content

Hormoontherapie bij borstkanker

Binnenkort heb je een gesprek over hormonale therapie bij borstkanker. In deze folder lees je meer over deze behandeling.

1. Inleiding

Het is prettig als je de folder vóór het gesprek doorleest. Tijdens het gesprek vertelt de verpleegkundige of verpleegkundig specialist meer over het medicijn dat je krijgt. Je krijgt uitleg over de werking en over mogelijke bijwerkingen.

Er is tijdens het gesprek ook ruimte om jouw persoonlijke situatie te bespreken. Natuurlijk kun je ook vragen stellen.

2. Wat is hormonale therapie?

2.1 Algemeen

Sommige organen in je lichaam hebben hormonen nodig om goed te werken. Hormonen kunnen ook nodig zijn voor de groei en ontwikkeling van deze organen.

Voorbeelden van zulke organen zijn:

  • de borsten;
  • de schildklier;
  • de prostaat;
  • het slijmvlies van de baarmoeder.

Als in een van deze organen kanker ontstaat, kan de tumor afhankelijk zijn van hormonen. Zolang deze hormonen aanwezig zijn, kan de tumor groeien.

Als de hormonen worden weggenomen of geblokkeerd, kan de groei van de tumor stoppen. De tumor kan ook kleiner worden of verdwijnen.

Hormonale therapie kan op verschillende manieren worden gegeven:

  • Het orgaan waarin hormonen worden gemaakt, kan worden verwijderd.
  • Je kunt medicijnen krijgen die de aanmaak of werking van hormonen remmen of blokkeren. Deze medicijnen heten antihormonen. Een andere naam is endocriene therapie.
  • Je kunt hormonen krijgen die ervoor zorgen dat kankercellen afsterven.

Meestal zorgt hormonale therapie ervoor dat je lichaam minder van bepaalde hormonen maakt. De behandeling kan ook voorkomen dat deze hormonen hun werk doen.

Heel soms krijg je juist extra hormonen. De extra hormonen kunnen dan de groei van de kanker afremmen.

Hormonale therapie kan worden gecombineerd met andere behandelingen, zoals:

  • chemotherapie;
  • doelgerichte therapie;
  • bestraling;
  • een operatie.

2.2 Hormonale therapie bij borstkanker

Borstkliercellen hebben de hormonen oestrogeen en progesteron nodig. Deze hormonen helpen de cellen om te werken en te groeien.

Oestrogeen en progesteron worden vooral gemaakt in de eierstokken. Een kleiner deel wordt gemaakt in de bijnieren en in het vetweefsel onder de huid.

De hormonen hechten zich aan speciale plekken op de borstkliercellen. Deze plekken heten receptoren.

Borstkankercellen hebben vaak ook deze receptoren. Oestrogeen en progesteron kunnen zich dan aan de tumorcellen hechten. Daardoor kunnen de tumorcellen groeien.

We noemen de tumor dan hormoongevoelig.

2.3 Een hormoongevoelige tumor

Als je tumor hormoongevoelig is, kun je hormonale therapie krijgen.

Soms is hormonale therapie de enige behandeling. Vaak krijg je hormonale therapie als aanvullende behandeling. Je krijgt de behandeling dan bijvoorbeeld nadat:

  • de tumor uit je borst is verwijderd;
  • je bestraling hebt gehad;
  • je chemotherapie hebt gehad.

Dit heet een adjuvante behandeling. Adjuvant betekent aanvullend.

Deze behandeling is bedoeld om heel kleine kankercellen te bestrijden die nog in je lichaam kunnen zitten. Deze cellen zijn zo klein dat ze niet zijn gezien. Door de behandeling kunnen ze niet verder groeien en sterven ze af.

Soms krijg je hormonale therapie vóór de operatie. Het doel is dan om de tumor kleiner te maken. Dit heet neo-adjuvante hormonale therapie.

Je kunt ook hormonale therapie krijgen als je uitzaaiingen hebt. De behandeling kan dan de groei van de tumor afremmen. Dit heet een palliatieve behandeling.

Bij een palliatieve behandeling is genezing niet meer mogelijk. De behandeling kan de kanker soms wel lange tijd afremmen. Het doel is om je kwaliteit van leven zo goed mogelijk te houden en je leven te verlengen.

Je behandelaar bespreekt met je of hormonale therapie geschikt is voor jou.

2.4 Hoe werkt hormonale therapie?

Hormonale therapie remt of blokkeert de werking van geslachtshormonen.

Daardoor kan de groei van de tumor of van uitzaaiingen worden afgeremd. Ook kan de behandeling voorkomen dat achtergebleven tumorcellen uitgroeien tot een nieuwe tumor.

De behandeling kan ook de groei van borstkanker afremmen als genezing niet meer mogelijk is.

2.5 Hoe lang duurt de behandeling?

Krijg je hormonale therapie als aanvullende behandeling? Dan gebruik je de medicijnen meestal vijf tot acht jaar. Soms duurt de behandeling tien jaar.

Hoe lang je de medicijnen moet gebruiken, hangt onder andere af van:

  • de kenmerken van de borstkanker;
  • je leeftijd;
  • of je al in de overgang bent.

Je behandelaar kan je hier meer over vertellen.

Heb je uitzaaiingen en krijg je hormonale therapie als palliatieve behandeling? Dan gebruik je de medicijnen zolang ze goed werken.

2.6 Welke hormonale behandelingen zijn er?

Hormonale therapie kan op verschillende manieren worden gegeven. Er bestaan verschillende soorten medicijnen en injecties.

Welke behandeling je krijgt, hangt af van jouw situatie. Je behandelaar kijkt bijvoorbeeld naar:

  • of je al in de overgang bent;
  • of je de behandeling aanvullend krijgt;
  • of je de behandeling krijgt omdat je uitzaaiingen hebt.

Medicijnen die de werking van vrouwelijke hormonen remmen zijn bijvoorbeeld:

  • tamoxifen;
  • anastrozol;
  • exemestaan;
  • letrozol;
  • gosereline als injectie;
  • leuproreline als injectie;
  • fulvestrant als injectie.

3. Mogelijke bijwerkingen

Hormonale therapie kan bijwerkingen geven. Niet iedereen krijgt dezelfde klachten. Ook kan de ernst van de klachten per persoon verschillen.

3.1 Klachten door de overgang

Je kunt last krijgen van:

  • opvliegers;
  • slaapproblemen;
  • vermoeidheid;
  • problemen met concentreren;
  • veranderingen in je stemming;
  • hoofdpijn;
  • aankomen in gewicht;
  • veranderingen van je huid en haar;
  • een droge vagina;
  • minder zin in seks;
  • urineverlies.

Je kunt deze klachten ook krijgen als je al in de overgang bent of bent geweest.

3.1.1 Opvliegers

Opvliegers zijn een veelvoorkomende klacht tijdens de overgang.

Door hormonale therapie kan het gebied in je hersenen dat je lichaamstemperatuur regelt, verstoord raken. Je krijgt dan plotseling een warm gevoel. Dit gevoel kan vanuit je borst, rug en armen naar je hoofd trekken.

Je gezicht kan rood worden en je kunt gaan zweten.

Opvliegers kunnen op ieder moment voorkomen:

  • overdag of ’s nachts;
  • binnen of buiten;
  • bij warm of koud weer.

Sommige mensen hebben af en toe een opvlieger. Anderen hebben er meerdere per dag.

Opvliegers in de avond of nacht kunnen je slaap verstoren. Daardoor kun je overdag moe en prikkelbaar zijn.

Een opvlieger kan enkele seconden duren, maar ook een paar minuten. Vaak gaat een opvlieger samen met:

  • een snellere hartslag;
  • zweten;
  • hevig nachtzweten.

Stress kan ervoor zorgen dat je vaker en hevigere opvliegers krijgt.

Wat kun je zelf doen?

  • Zorg voor voldoende ontspanning.
  • Zoek afleiding.
  • Gebruik eventueel een speciale koelsjaal.
  • Draag luchtige kleding, het liefst van natuurlijke materialen zoals katoen.
  • Zorg voor een koele en goed geventileerde slaapkamer.
  • Gebruik niet te warm beddengoed, het liefst van katoen.
  • Alcohol, roken, heet of pittig eten, cafeïne, chocolade, koolzuurhoudende dranken, bessen en witte suiker kunnen bij sommige mensen opvliegers veroorzaken. Probeer uit of dit bij jou zo is.
  • Beweeg regelmatig.
  • Soms kunnen medicijnen de klachten verminderen. Bespreek dit met je behandelaar.

Let op

Kruidenmiddelen en homeopathische middelen tegen opvliegers kunnen stoffen bevatten die lijken op oestrogeen. Ze kunnen ook invloed hebben op de hoeveelheid medicijnen in je bloed.

Daardoor kunnen deze middelen je behandeling tegen kanker tegenwerken.

Bespreek het daarom altijd met je behandelaar voordat je zulke middelen gebruikt.

3.1.2 Slaapproblemen

Hormonale therapie kan slaapproblemen veroorzaken.

Door opvliegers en zweten in de nacht kun je vaak wakker worden. Daardoor kun je overdag moeite hebben met dagelijkse activiteiten.

Ook vermoeidheid en veranderingen in je stemming kunnen hierdoor erger worden.

3.1.3 Vermoeidheid

Door de verandering van je hormonen kun je je vermoeider voelen.

Vermoeidheid kan ook ontstaan door:

  • de ziekte;
  • de behandeling;
  • spanning, zorgen of verdriet.

Na de behandeling wordt de vermoeidheid meestal langzaam minder. Soms gaat de vermoeidheid niet helemaal over.

Je kunt onder andere last hebben van:

  • ernstige lichamelijke vermoeidheid;
  • minder kunnen doen in het dagelijks leven;
  • slaapproblemen;
  • problemen met concentreren;
  • vergeetachtigheid;
  • sterk reageren op emoties;
  • piekeren;
  • angst.

Wat kun je zelf doen?

  • Neem genoeg tijd om te rusten.
  • Verdeel je activiteiten over de dag of de week.
  • Probeer in beweging te blijven.
  • Probeer iedere dag ongeveer 30 minuten te bewegen of te sporten.
  • Je kunt dit ook verdelen over de dag, bijvoorbeeld twee keer 15 minuten.
  • Alleen veel rusten helpt meestal niet tegen deze vorm van vermoeidheid.
  • Zorg voor een regelmatig slaapritme.
  • Eet gezond en voldoende.
  • Praat over je klachten met mensen die dicht bij je staan.
  • Neem hulp aan van familie of vrienden.
  • Daardoor houd je mogelijk meer tijd en energie over voor dingen die je graag doet.
  • Accepteer dat je tijdelijk minder kunt.
  • Bepaal wat voor jou echt belangrijk is en durf nee te zeggen.
  • Bespreek je vermoeidheid met je behandelaar of casemanager.
  • Een ergotherapeut kan je soms helpen om je energie beter over de dag te verdelen.
  • De app Untire kan je helpen om met vermoeidheid tijdens en na kanker om te gaan. Je vindt de app in de App Store en Google Play Store.

3.1.4 Problemen met concentreren

Door veranderingen in je hormonen kun je meer moeite hebben om je te concentreren.

Je kunt ook sneller dingen vergeten.

3.1.5 Veranderingen in je stemming

Door veranderingen in je hormonen kun je gevoeliger zijn voor stemmingswisselingen.

Je kunt bijvoorbeeld:

  • sneller prikkelbaar zijn;
  • sneller boos of geïrriteerd raken;
  • sneller uit evenwicht zijn;
  • het gevoel hebben dat je jezelf niet herkent.

Je kunt ook sombere of depressieve gevoelens krijgen. Dit kan komen door de overgang, maar ook door alles wat je meemaakt door de ziekte en de behandeling.

Wat kun je zelf doen?

  • Geef je gevoelens de ruimte.
  • Praat over je gevoelens met mensen die dicht bij je staan.
  • Contact met andere mensen die kanker hebben of hebben gehad, kan helpen.
  • Bespreek veranderingen in je stemming met je behandelaar of casemanager.

Als het nodig is, kan er samen met jou extra ondersteuning worden geregeld.

3.1.6 Hoofdpijn

Er is een verband tussen veranderingen in hormonen en hoofdpijn. Het is niet precies bekend hoe hormonen hoofdpijn of migraine beïnvloeden.

Wat kun je zelf doen?

  • Leg een koud en nat washandje op je hoofd.
  • Zorg voor ontspanning.
  • Zoek afleiding.
  • Zoek een rustige omgeving op.
  • Gebruik zo nodig paracetamol.

3.1.7 Aankomen in gewicht

Tijdens hormonale therapie kun je enkele kilo’s aankomen. Soms blijft dit extra gewicht.

Het is niet precies bekend waardoor dit komt. Mogelijke oorzaken zijn:

  • je lichaam houdt meer vocht vast;
  • je hebt meer eetlust;
  • je beweegt minder;
  • je stofwisseling verandert.

Wat kun je zelf doen?

  • Let bewust op wat je eet en hoeveel je beweegt.
  • Blijf voldoende bewegen.
  • Gebruik niet te veel vet en suiker.
  • Drink voldoende water en thee zonder suiker. Dit kan helpen als je vocht vasthoudt.
  • Bespreek het met een diëtist die ervaring heeft met mensen met kanker.

3.1.8 Veranderingen van je huid en haar

Huid

Door veranderingen in je hormonen kan je huid veranderen:

  • Je huid kan droger worden doordat je lichaam minder talg maakt.
  • Je huid kan dunner worden doordat je lichaam minder huidcellen aanmaakt.
  • Je huid kan slapper worden doordat er minder collageen en elastine in zit.
  • Je kunt meer haar in je gezicht of op je lichaam krijgen.

Dunner haar

Door hormonale therapie kan je haar dunner worden. Je kunt ook meer haar verliezen dan normaal.

Bij hormonale therapie word je meestal niet helemaal kaal. Dit kan bij chemotherapie soms wel gebeuren.

Wat kun je zelf doen?

  • Gebruik een milde shampoo.
  • Was je haar met lauw water en niet met heet water.
  • Spoel je haar goed uit.
  • Masseer je hoofdhuid voorzichtig tijdens het wassen.
  • Gebruik na het wassen eventueel een conditioner.
  • Droog je haar voorzichtig met een zachte handdoek.
  • Gebruik een grove kam.
  • Kam je haar voorzichtig als het nog vochtig is. Zo voorkom je klitten.

3.1.9 Een droge vagina

Door minder oestrogeen worden slijmvliezen dunner en droger.

Dit kan gebeuren bij de slijmvliezen van je:

  • ogen;
  • neus;
  • mond;
  • vagina.

Vooral een droge vagina kan klachten geven. De vagina kan gevoeliger worden voor irritatie.

Je kunt last krijgen van:

  • afscheiding;
  • jeuk;
  • droogheid;
  • bloedverlies;
  • pijn tijdens het vrijen.

Wat kun je zelf doen?

  • Neem voldoende tijd voor het voorspel.
  • Vertel je partner wat je prettig vindt, wat je niet prettig vindt en wat pijn doet.
  • Gebruik zo nodig een glijmiddel.
  • Je kunt hiervoor gewone vaseline gebruiken.
  • Andere glijmiddelen zijn zonder recept te koop bij de drogist of apotheek.
  • Breng het glijmiddel aan rond de opening van de vagina en op de penis.
  • De meeste glijmiddelen blijven langere tijd werken. Je kunt ze daarom al vóór het vrijen aanbrengen.
  • Er zijn vaginale bolletjes en gels met hyaluronzuur. Deze middelen kunnen helpen om het vocht in de vagina te herstellen.
  • Je behandelaar kan je hierover adviseren.
  • Gebruik geen zeep om je vagina te wassen.
  • Draag luchtig ondergoed van katoen.
  • Praat samen over de veranderingen van je lichaam.
  • Neem contact op met je behandelaar als je bloed verliest uit je vagina.
  • Let ook op jeuk of veranderingen in de geur en kleur van je afscheiding. Dit kan wijzen op een schimmelinfectie. Neem dan contact op met je behandelaar.

3.1.10 Minder zin in seks

Door hormonale therapie kun je minder zin in seks krijgen.

Dit kan invloed hebben op je seksuele relatie. Minder zin in seks betekent niet dat je ook minder behoefte hebt aan aandacht, aanraking of intimiteit.

Je partner kan lichamelijk contact soms moeilijk vinden. Je partner kan bijvoorbeeld denken dat je daar nog niet aan toe bent.

Het is belangrijk dat jullie aandacht hebben voor elkaars gevoelens en behoeften. Neem samen de tijd om opnieuw vertrouwd te raken met je lichaam.

Jullie moeten mogelijk wennen aan wat er door de ziekte en behandeling is veranderd. Je kunt samen zoeken naar een manier die bij jullie past.

Een therapeut kan jullie daar eventueel bij helpen.

Wat kun je zelf doen?

  • Heb aandacht voor elkaar.
  • Praat met elkaar.
  • Bespreek seksuele problemen met je behandelaar of casemanager.

Als het nodig is, kan een seksuoloog worden ingeschakeld.

3.1.11 Urineverlies

Door minder oestrogeen kan het weefsel rond de opening van je blaas slapper worden.

Daardoor kun je je plas soms minder goed ophouden. Het kan ook moeilijker zijn om je blaas helemaal leeg te plassen.

Als er urine in je blaas achterblijft, kun je sneller een blaasontsteking krijgen.

Je kunt dan last hebben van:

  • pijn of een branderig gevoel bij het plassen;
  • vaak moeten plassen.

Wat kun je zelf doen?

  • Probeer je blaas altijd helemaal leeg te plassen.
  • Train je bekkenbodemspieren.
  • Je kunt de oefeningen staand, zittend of liggend doen.
  • Span je bekkenbodem aan alsof je je plas heel sterk ophoudt.
  • Houd dit een paar seconden vast en ontspan daarna.
  • Je kunt de spieren ook stap voor stap verder aanspannen. Laat ze daarna stap voor stap weer los.
  • Herhaal dit tien keer.
  • Doe de oefening drie keer per dag.
  • Gebruik zo nodig speciaal materiaal voor urineverlies. Dit is verkrijgbaar in verschillende soorten en maten.
  • De apotheek kan je hierover adviseren.
  • Gebruik geen gewoon maandverband, inlegkruisjes of wc-papier. Dit kan gaan ruiken en je huid irriteren.
  • Neem contact op met je behandelaar als je problemen hebt met plassen.

3.2 Onvruchtbaarheid

Als je eierstokken worden verwijderd, word je onvruchtbaar. Dit is blijvend.

Bij hormonale therapie kan de werking van je eierstokken tijdelijk worden stilgelegd. Je kunt dan tijdelijk onvruchtbaar zijn.

Na het stoppen met hormonale therapie kun je soms weer vruchtbaar worden. Soms kun je tijdens de behandeling nog vruchtbaar zijn.

Als je menstruatie na de behandeling terugkomt, kun je nog zwanger worden. Daarom is het belangrijk dat je een betrouwbaar voorbehoedsmiddel gebruikt.

Bij borstkanker kun je beter geen anticonceptie met hormonen gebruiken, zoals de pil.

Je kunt bijvoorbeeld kiezen voor:

  • condooms;
  • een koperspiraal zonder hormonen;
  • sterilisatie van jezelf of je partner.

Let op: gebruik je tamoxifen en ben je nog niet in de overgang? Dan kun je nog vruchtbaar zijn.

Wat kun je zelf doen?

Bespreek met je behandelaar welke gevolgen de hormonale therapie kan hebben voor jouw vruchtbaarheid.

Bespreek ook welke vorm van anticonceptie bij jou past.

3.3 Spier- en gewrichtsklachten

Ongeveer 30 tot 40 procent van de mensen die een aromataseremmer gebruiken, krijgt last van spieren en gewrichten.

Aromataseremmers zijn:

  • anastrozol;
  • letrozol;
  • exemestaan.

Oestrogeen heeft invloed op de aanmaak van vocht in de gewrichten. Tijdens de overgang maakt je lichaam minder van dit vocht aan.

Daardoor kunnen bewegingen stroever en pijnlijker worden.

Vooral in de ochtend kunnen je gewrichten pijnlijk en stijf zijn. Als je gaat bewegen, worden de klachten vaak snel minder.

Wat kun je zelf doen?

  • Neem een warme douche. Dit kan de klachten verminderen.
  • Blijf bewegen.
  • Let op je gewicht. Bij een hoger gewicht worden je gewrichten meer belast.
  • Bespreek spier- en gewrichtsklachten met je behandelaar.

3.4 Osteoporose en botbreuken

Na de overgang worden de botten bij iedereen minder sterk.

Dit heet osteoporose of botontkalking. Oestrogeen is belangrijk voor de opbouw van je botten. Na de overgang maakt je lichaam minder oestrogeen.

Daardoor kunnen je botten zwakker worden en kun je sneller een bot breken.

Dit risico is vooral groter:

  • als je een aromataseremmer gebruikt, zoals anastrozol, letrozol of exemestaan;
  • als je op jonge leeftijd in de overgang komt.

In bijlage 1 lees je meer over botgezondheid.

Wat kun je zelf doen?

  • Blijf voldoende bewegen. Bewegen helpt om je botten sterk te houden.
  • Doe ook oefeningen waarbij je je lichaam belast. Hierdoor worden je spieren sterker en kunnen ze je botten beter ondersteunen.
  • Zorg dat je genoeg calcium binnenkrijgt.
  • Je hebt per dag ongeveer 1.000 tot 1.500 milligram calcium nodig.
  • Calcium zit vooral in melk, yoghurt, vla, kwark en kaas.
  • Calcium zit ook in vis, garnalen, mosselen, brood, peulvruchten en noten.
  • Je lichaam neemt calcium uit plantaardige producten minder goed op.
  • Twee of drie porties melkproducten en één of twee plakken kaas per dag zijn meestal voldoende.
  • Kun je geen zuivel gebruiken? Dan kunnen calciumtabletten nodig zijn. Bespreek dit met je behandelaar.
  • Zorg dat je iedere dag buiten komt. Zonlicht helpt je lichaam om vitamine D te maken.
  • Vitamine D helpt je lichaam om calcium op te nemen.
  • Vitamine D zit ook in vette vis, zoals makreel, haring en zalm.
  • Vitamine D zit ook in eieren, margarine en sommige melkproducten.
  • Probeer een gezond gewicht te houden. Zowel ondergewicht als overgewicht is niet goed voor je botten.
  • Rook niet.
  • Drink weinig alcohol.
  • Soms kun je medicijnen krijgen om botafbraak tegen te gaan. Voorbeelden zijn bisfosfonaten, calciumtabletten en vitamine D.

3.5 Misselijkheid

Misselijkheid komt vooral voor aan het begin van de behandeling.

Meestal verdwijnt de misselijkheid vanzelf binnen drie of vier weken na de start.

Wat kun je zelf doen?

  • Drink minimaal anderhalve liter per dag.
  • Dit zijn ongeveer tien tot vijftien glazen of kopjes.
  • Al het vocht telt mee, zoals water, thee, melk, sap, koffie, bouillon, soep, vla en yoghurt.
  • Te weinig drinken kan de misselijkheid erger maken.
  • Eet meerdere kleine maaltijden per dag.
  • Veel eten in één keer kan de misselijkheid erger maken.
  • Een lege maag kan de klachten ook erger maken.
  • Eet daarom vaker een kleine hoeveelheid.
  • Eet niet meer dan je gewend bent, maar verdeel het eten over de dag.
  • Zorg voor rust rond de maaltijden.
  • Vraag zo nodig hulp aan een diëtist.

Blijven de klachten bestaan? Of val je meer dan drie kilo af? Neem dan contact op met je behandelaar of casemanager.

3.6 Trombose

Trombose is een bloedprop in een bloedvat.

Tamoxifen vergroot de kans op trombose. Als de bloedprop groter wordt, kan het bloedvat verstopt raken. Het bloed kan dan niet goed meer doorstromen.

Mogelijke klachten zijn:

  • Je been of arm wordt rood en dik.
  • Je been of arm voelt warm aan.
  • Je been of arm is pijnlijk of gevoelig.
  • Je wordt plotseling kortademig.

Een bloedprop in een been of arm heet een trombosebeen of trombosearm.

Een bloedprop die in de longen terechtkomt, heet een longembolie.

Wat moet je doen?

Heb je een of meer van deze klachten? Neem dan direct contact op met de polikliniek Oncologie via 0413 - 40 22 90.

Neem in de avond, nacht of het weekend contact op met de huisartsenpost.

3.7 Een verhoogd cholesterol

Door hormonale therapie kan je cholesterol stijgen. Een gezond eetpatroon is daarom belangrijk.

3.8 Bloedverlies uit de vagina

Bij tamoxifen is er een heel klein risico op kanker van het baarmoederslijmvlies.

Krijg je bloedverlies uit je vagina? Neem dan contact op met je behandelaar.

Je behandelaar kan je na overleg verwijzen naar een gynaecoloog. De gynaecoloog onderzoekt dan het slijmvlies van je baarmoeder.

4. Sojaproducten

Soja bevat isoflavonen. Isoflavonen zijn plantaardige stoffen die lijken op oestrogeen. Ze worden ook fyto-oestrogenen genoemd.

Deze stoffen lijken in hun opbouw op het oestrogeen dat je lichaam zelf maakt. Mogelijk kunnen grote hoeveelheden nadelig zijn als je hormonale therapie krijgt.

Uit onderzoeken zijn tot nu toe geen nadelige gevolgen gebleken van normaal gebruik van soja.

Daarom krijg je de volgende adviezen:

  • Gebruik niet meer dan drie voedingsmiddelen met soja per dag.
  • Voorbeelden zijn smeer- en bereidingsvetten met soja, sojascheuten, sojamelk, sojayoghurt, tahoe, tempé en vegetarische vleesvervangers.
  • Gebruik geen supplementen met een hoge dosis soja, fyto-oestrogenen of isoflavonen.
  • Op de verpakking kunnen ook de namen daidzeïne en genisteïne staan.

5. Je medicijnen goed blijven gebruiken

Hormonale therapie is een belangrijk onderdeel van je behandeling.

Bij een aanvullende behandeling helpt hormonale therapie om de kans dat borstkanker terugkomt zo klein mogelijk te maken.

Bij een palliatieve behandeling is het doel om de borstkanker zo lang mogelijk onder controle te houden.

Het is daarom belangrijk dat je de medicijnen iedere dag gebruikt.

Om te voorkomen dat je een dosis vergeet, kun je:

  • een alarm op je telefoon zetten;
  • de medicijnen iedere dag op hetzelfde moment innemen;
  • de medicijnen op een vaste plek bewaren;
  • een medicijndoos gebruiken.

Heb je last van bijwerkingen die invloed hebben op je dagelijks leven? Bespreek dit dan met je behandelaar of casemanager.

Stop niet zelf met de medicijnen.

Je behandelaar of casemanager kan samen met jou bekijken wat er mogelijk is. Soms kunnen klachten worden behandeld. Soms kan de behandeling worden aangepast.

6. Wanneer neem je contact op?

Krijg je bijwerkingen? Kijk de klachten dan, als dat veilig kan, eerst een paar dagen of weken aan.

Sommige klachten worden minder als je lichaam aan de behandeling gewend raakt.

Bespreek de bijwerkingen altijd met je behandelaar of casemanager. Zij kunnen je tips geven om de klachten te verminderen.

Wanneer moet je direct contact opnemen?

Neem direct contact op als je klachten hebt die kunnen passen bij:

  • een trombosebeen;
  • een trombosearm;
  • een longembolie.

Voorbeelden zijn:

  • een rood, dik, warm of pijnlijk been;
  • een rode, dikke, warme of pijnlijke arm;
  • plotselinge kortademigheid.

Wie kun je bellen bij vragen?

Heb je medische vragen of problemen met je gezondheid? Neem dan contact op met je casemanager via: 0413 - 40 22 90.

Je kunt bellen van maandag tot en met vrijdag:

  • tussen 9.00 en 9.45 uur;
  • tussen 14.00 en 15.00 uur.

Registratie van kanker

Onderzoekers willen zoveel mogelijk weten over kanker. Met deze informatie kunnen zij kanker beter onderzoeken en behandelen.

Daarom verzamelt het Integraal Kankercentrum Nederland, afgekort IKNL, gegevens over mensen met kanker.

Het IKNL ontvangt deze gegevens van Nederlandse ziekenhuizen. De gegevens worden bewaard in een goed beveiligde databank.

Alleen medewerkers van het IKNL die daarvoor toestemming hebben, kunnen deze gegevens bekijken.

Wil je niet dat jouw gegevens in deze databank worden opgenomen? Bespreek dit dan met je behandelend arts. De arts zet dit in je medisch dossier.

Meer informatie vind je op www.cijfersoverkanker.nl.

7. Gezonde botten

Je wordt behandeld voor borstkanker.

In dit hoofdstuk lees je welke invloed de behandeling kan hebben op je botten. Sommige behandelingen vergroten de kans op osteoporose. Osteoporose betekent dat je botten minder sterk worden.

Je krijgt ook tips om je botten zo sterk mogelijk te houden.

Wat is osteoporose?

Het is belangrijk dat je botten gezond en sterk blijven.

Je botten:

  • geven je lichaam steun;
  • geven je lichaam vorm;
  • helpen bij de aanmaak van bloedcellen;
  • zorgen dat je kunt zitten, tillen en bewegen.

Je botten worden steeds afgebroken en opnieuw opgebouwd. Calcium is hierbij een belangrijke bouwstof.

Soms wordt er meer bot afgebroken dan er wordt opgebouwd. De botdichtheid wordt dan lager. De kleine openingen in het bot worden groter.

Hierdoor worden je botten minder sterk. Dit heet osteoporose. Een andere naam is botontkalking.

Bij ernstige osteoporose kun je sneller een bot breken. Dit gebeurt bijvoorbeeld in:

  • je pols;
  • je heup;
  • een ruggenwervel.

Een ingezakte ruggenwervel heet ook een wervelinzakking.

Welke factoren vergroten de kans op osteoporose?

Voeding, alcohol en roken

Calcium is een belangrijke bouwstof voor je botten. Het is belangrijk dat je genoeg calcium uit je voeding haalt.

Ook vitamine D is belangrijk. Je krijgt vitamine D binnen via voeding, maar vooral via zonlicht.

Roken en alcohol kunnen je botten minder sterk maken.

Door alcohol kun je ook sneller vallen. Daardoor neemt de kans op een botbreuk toe.

Te weinig bewegen

Bewegen en gezonde voeding helpen om je botten sterk te houden.

Activiteiten waarbij je lichaam je eigen gewicht draagt, zijn goed voor je botten. Denk aan:

  • lopen;
  • rennen;
  • springen;
  • dansen;
  • traplopen.

Door deze activiteiten merkt het bot dat het wordt gebruikt. Dit stimuleert de aanmaak van nieuw bot.

Leeftijd en geslacht

Vanaf ongeveer 35 jaar wordt de botdichtheid langzaam lager. Dit is normaal.

Bij vrouwen is de overgang een belangrijke oorzaak van osteoporose. Tijdens de overgang maakt het lichaam minder oestrogeen.

Daardoor neemt de botdichtheid af.

Erfelijke aanleg

Komt osteoporose in je familie voor? Dan heb je zelf ook meer kans op osteoporose.

Een botbreuk na je vijftigste

Heb je na je vijftigste een bot gebroken? Dan is de kans op een volgende botbreuk ongeveer twee keer zo groot.

Een botbreuk na je vijftigste is daarom een reden om je botdichtheid te laten meten.

Een laag lichaamsgewicht

Weeg je minder dan 60 kilo? Of is je BMI lager dan 20? Dan heb je meer kans op osteoporose.

BMI betekent body mass index. Het is een maat voor de verhouding tussen je gewicht en je lengte.

Andere aandoeningen

Sommige aandoeningen vergroten de kans op osteoporose, zoals:

  • COPD;
  • diabetes;
  • anorexia nervosa;
  • een te snel werkende schildklier;
  • coeliakie;
  • de ziekte van Crohn;
  • reumatoïde artritis.

Medicijnen

Sommige medicijnen vergroten de kans op osteoporose. Dit geldt vooral als je deze medicijnen lange tijd gebruikt.

Voorbeelden zijn:

  • prednison en andere corticosteroïden;
  • medicijnen tegen epilepsie;
  • sommige antidepressiva;
  • antihormonale therapie bij borstkanker.