Skip to Content

Taal- en spraakontwikkeling bij baby’s en peuters

Het praten van een kind ontwikkelt zich stap voor stap. Elk kind doet dat op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo. In deze folder staat omschreven wat past bij een normale taal- en spraakontwikkeling en geeft je tips om de taal- en spraakontwikkeling van je kind te stimuleren.

0-12 maanden

Een baby communiceert met je door middel van lichaamstaal en gezichtsuitdrukkingen. De baby herkent stemgeluiden en heeft behoefte om met andere mensen te communiceren.

Je stimuleert de communicatie door contact te maken met je kind tijdens alledaagse handelingen. Je kind kijkt naar je gezicht, maakt oogcontact en imiteert al sommige bewegingen van je mond.

Vanaf zes maanden is het om-beurten-geluid-maken volop aanwezig. Je kind heeft veel aandacht voor stemmen, maar het tegelijkertijd luisteren naar anderen en zelf geluiden maken gaat niet zo goed samen. Vaak is je kind dus stil als je tegen hem praat en begint hij weer geluiden te maken als je stopt met praten. De interactie en de wederzijdse communicatie tussen jou en je kind tijdens het spelen, voeden en verzorgen is belangrijk voor de taal- en spraakontwikkeling. 

Stimuleren van de taalontwikkeling

  • De eerste zes maanden: maak oogcontact met je kind en geef je kind tijd om naar je te kijken. Trek verschillende gezichten in langzaam tempo. 
  • Vanaf zes maanden: er is nu ook aandacht voor voorwerpen. Kijk naar het voorwerp wat je kind interesseert, wijs het voorwerp aan en benoem het voorwerp. Je kind kan zelf nog niet wijzen, maar vanaf negen maanden wel al een wijsgebaar volgen. 
  • Geef je kind de tijd om te reageren, dan krijg je meestal een reactie.
  • Luister en reageer wanneer je kind zich uit door middel van lichaamstaal, geluiden en woorden. 
  • Vertel je kind wat je aan het doen bent. Benoem de dingen om je heen. 
  • Houd je zinnen kort en eenvoudig. 
  • Gebruik onderwerpen die je kind interesseren. Je kind leert de taal door het verkennen van de wereld om hem/haar heen, waarbij het allemaal nieuwe ervaringen opdoet. Als verzorger kunt je jouw kind hierbij steeds een stapje verder helpen door in te gaan op zijn initiatieven, (nieuwe) woorden/zinnen erbij te noemen en passende geluiden te maken.
  • Doe spelletjes waarbij je om beurten reageert, zoals Kiekeboe!
  • Zing liedjes en vertel rijmpjes en versjes. 

Einde van het eerste levensjaar

Aan het einde van het eerste levensjaar kan je kind meestal:

  • Reageren op zijn eigen naam.
  • Eenvoudige zinnetjes begrijpen en soms al enkele woordjes zeggen, zoals papa en mama (deze woordjes hoeven nog niet correct gezegd te worden, zoals ba=bal).
  • Brabbelen om dingen duidelijk te maken.
  • Gebaren maken, zoals bijvoorbeeld zwaaien of klappen.
  • Op eigen initiatief voorwerpen gebruiken om je aandacht te trekken of je iets te laten zien. 

1-2 jaar

Het praten is zich verder aan het ontwikkelen. Je kind begint te communiceren door middel van lichaamstaal, zoals het reiken naar iets of er naar te wijzen, iets weg te duwen, door middel van het schudden van het hoofd, lachen of zwaaien. Ook door middel van woorden, zoals papa, mama, die, daar of nee. Kinderen kunnen de woorden nog niet altijd volledig en goed uitspreken.

Het is belangrijk wat je kind zegt, niet hoe hij het zegt. Je kind gaat imiteren, alledaagse dingen nadoen tijdens het spelen. Je kind reageert op eenvoudige opdrachten. Je kind is zich bewust van de gevoelens van anderen. Het praten wordt ingewikkelder. Hij kan bekende voorwerpen en plaatjes aanwijzen. 

Stimuleren van de taalontwikkeling

  • Kijk naar de gebaren en lichaamstaal van je kind.
  • Luister naar de woorden.
  • Probeer altijd te begrijpen wat je kind bedoelt. 
  • Herhaal wat je kind zegt op de correcte manier. Bijvoorbeeld: je kind zegt “toe”. Je zegt: “goed zo, een stoel”.
  • Blader samen met je kind door een plaatjesboek en benoem wat jullie zien.
  • Lees samen met je kind.
  • Wijs samen plaatjes aan in een boek of tijdschrift en praat erover. Bijvoorbeeld: “Waar is de appel?” Goed zo! Dat is een lekkere appel”.
  • Vertel wat je aan het doen bent en benoem voorwerpen. Bijvoorbeeld : “Even in de pan roeren”.
  • Geef je kind de tijd om te reageren. Praten is leuk en gezellig. 
  • Probeer te begrijpen wat je kind duidelijk wil maken, dat is beter dan net te doen alsof je het hebt begrepen.

Wanneer je kind twee jaar oud is kan hij al communiceren met gebaren en woorden. Spelen is leren voor je kind. Hij/zij vindt het leuk om samen te spelen en begrijpt al best veel. Je kind gebruikt veel verschillende woorden en spreekt in zinnen van 2 (of meer) woorden. Bijvoorbeeld: “poes weg” of “de poes is weg”.

10 tips voor het voeren van gesprekken

10 tips voor het voeren van gesprekken met jonge kinderen en spelenderwijs leren van woorden:

  1. Vertel je kind waar je mee bezig bent.
  2. Geef je kind de gelegenheid om zelf te praten.
  3. Probeer een reactie uit te lokken door een stilte of prikkelende opmerking.
  4. Stel regelmatig open vragen.
  5. Neem je kind serieus en probeer te begrijpen wat hij/zij bedoelt.
  6. Reageer positief op de uitingen van je kind.
  7. Probeer een echt gesprek op gang te brengen.
  8. Leer je kind woorden die passen bij wat er op dat moment gebeurt. 
  9. Gebruik voorwerpen, plaatjes of maak gebaren.
  10. Speel (taal)spelletjes, zing liedjes, zeg rijmpjes op en lees prentenboeken.

Heb je nog vragen?

Heb jij of je naasten na het lezen van deze folder nog vragen? Neem dan contact op met je logopedist of afdeling logopedie.

  • Logopedie via telefoonnummer 0413 - 40 19 35